HEMA

Historische Europese Martial Arts
Sinds het begin der tijden proberen mensen elkaar al te doden met een verscheidenheid aan wapens.
Tot aan de uitvinding van het buskruid zijn de wapens min of meer hetzelfde gebleven. Lompe slagwapens of wapens die kunnen steken of snijden.

Het oudste wapen dat kon doden op langere afstanden was de slinger en de speer.
De volgende stap werd al snel de pijl en boog. De éénvoudige knots uit de oertijd had in feite nog volop bestaansrecht in de middeleeuwen, maar dan als 'morgenster'. Een uitermate efficiënt moordwapen.
Nu nog proberen mensen elkaar regelmatig met 'knotsachtige' voorwerpen om het leven te helpen en dikwijls met succes...
 
De bewerkte stenen in de oertijd werden gebruikt voor het looien van leer en als gereedschap. Later werd deze technologie toegepast op wapens, zoals de pijlpunt.
De technologie voor het maken van gereedschap ging langzaam over in het produceren van wapens.
Met dit nieuwe 'gereedschap' kon de mensheid flinke oorlogen beginnen.
 
Vroege middeleeuwen 5e t/m 7e eeuw
In de vroege middeleeuwen zo rond 500 na christus, bestond het oorlogsgereedschap uit de speer, bijl, langmes (groot mes), zwaard, de Normandische ‘druppel’ vormige schilden en grote ronde schilden.
De zwaarden, die destijds gebruikt werden waren relatief simpel qua ontwerp en bestonden uit een lemmet met twee parallellen kanten, een ‘rondige’ punt en een eenvoudige rechte stootplaat. Ze waren speciaal ontwikkeld voor éénhandig gebruik en uitermate geschikt om zware klappen mee uit te delen en te snijden. Zwaarden van deze catagorie wogen in het algemeen niet zwaarder dan één kilogram. Zo’n zwaard, gecombineerd met een schild in de andere hand vormde samen een veel voorkomende en dodelijk combinatie. Hoewel het ontwerp van deze zwaarden door hun parallellen kanten en ronde punt zich niet erg goed leende voor het gebruik van steektechnieken, kon dit de gemiddelde krijger niet erg interesseren.
Hoewel hierover nog dikwijls misverstanden zijn, is het een feit dat 'elkaar steken' in zwaardduellen en oorlogen zo oud is als het zwaard zelf.
Het steken was op geen manier beperkt tot uitsluitend de late middeleeuwen of renaissance, zoals vaak nog aangenomen wordt.
De Romeinen stonden al bekend om hun steektechnieken met hun gladius, een kort zwaard dat aan twee kanten geslepen was en een zeer scherpe punt had.
De uitrusting in de vroege middeleeuwen bestond uit gehard leer en maliën.
Diepe theoretische kennis van dubbelhandige zwaardtechnieken was toen nog niet bekend, (langzwaarden) kwamen pas in algemeen gebruik op het Europese slagveld rond 14e eeuw.
 

Middeleeuwen 13e t/m 14e eeuw
Het zwaard en beukelaar (klein rond schild, van hout en/of staal) was de populaire combinatie voor de 14e eeuw en deze technieken vonden hun oorsprong ver voor de 13e eeuw.
Er gaan nog wel eens verhalen ten ronde dat het gebruik van zwaard/beukelaar een laat- middeleeuwse aangelegenheid was.
Dit is echter niet correct.
De reden dat mensen dit denken is niet zo verwonderlijk. Men herinnert over het algemeen de grote 'driehoekige' schilden met de geschilderde heraldische voorstellingen.
In feite zijn de beukelaars veel ouder dan deze schilden, maar ze zijn vrij klein en niet erg handig om wat op te schilderen, dat is waarom de grotere schilden favoriet waren bij ridders in toernooien en dit is ook de reden waarom deze schilden zo vaak te bewonderen zijn in vele artistieke middeleeuwse afbeeldingen.
Het ms 1.33 manuscript of 'tower fechtbuch' dat opgeslagen ligt in de Royal Armouries in Leeds beschrijft in tekst en beeld zwaard & beukelaar technieken en is het oudste manuscript tot nu toe gevonden en dateert uit 1280.
Maar er wordt algemeen aangenomen door de geleerden, dat de technieken in dit manuscript al veel eerder bekent waren, alvorens zij uiteindelijk werden ‘opgetekend’.
 
Late middeleeuwen 15e eeuw
Het plaatsen van plaatstalen delen over maliën en ‘wambuis’ (een met paardenhaar gevoerde gevechtsjas) deed begon in de 14e eeuw. In aanvang werden alleen de benen en armen en schouder ingepakt met plaatstaal.
Later breidde het ‘harnas’ zich uit over de torso, en was je van top tot teen ingepakt.
Met de introductie van het harnas, nam de hang naar het dragen van schilden langzaam maar zeker af, terwijl de vraag naar langere zwaarden met spitsere klingen tegelijkertijd meer toenam. In de latere middeleeuwen ging het ontwerp van het zwaard dus enkele noemenswaardige veranderingen door.
Het spits smeden van de kling was wellicht een van de belangrijkste, daar dit het steken aanzienlijk vergemakkelijkte. Daarbij werd de stootplaat iets verbreed en de grip en kling werden verlengt.
Nu de ridders verlost waren van hun schilden (je had tenslotte nu een compleet 'schild' aan) konden zij nu het slagveld op met dubbelhandige zwaarden. En werden de technieken van het zwaard en schild aangepast voor het twee handige zwaard.
 
Van éénhandig zwaard naar tweehandig
Het voordeel van deze zwaarden was, dat men met het extra steek vermogen -door het gebruik van twee handen- makkelijker de zware bepantsering kon doorboren en meer controle had over het zwaard om bij de 'weke' delen in het harnas te komen.
Ook konden Ridders en soldaten met één hand de kling vast houden, terwijl de andere hand op de grip bleef, met alle mogelijkheden van dien (mezzo spada/halbschwert technieken)
Dit was onder de ‘geschoolde’ vechters, de enige zinvolle manier van vechten tegen iemand in harnas.
Met deze steektechnieken had je meer controle over je punt van je zwaard en kon je veel gemakkelijk de kleine openingen in het harnas treffen, zoals de binnenkant handschoenen, oksels, genitaliën en vizier.
Deze ‘halbschwert’ technieken waren veel efficiënter dan ‘slagen’ maken naar het harnas. Het resultaat met deze manier van vechten was hierdoor enorm.
Uiteraard trachtte men zich ook tegen deze technieken te weren, door nog meer bescherming aan te trekken en de bepantsering te verbeteren.
 
De Strijdhamer
Het moment waarop zelfs het tweehandige zwaard met moeite door het harnas en openingen heen kon komen, was het moment waarop de strijdhamer zijn intrede begon te doen en die werd al snel erg populair op het slagveld.
Aan de bovenkant van dit wapen zat aan één kant een scherpe punt aan de andere kant een hamer en hiermee kon men verschrikkelijke klappen uitdelen.
Je hoefde met dit wapen niet op zoek te gaan naar de openingen in het harnas.
De punt aan dit wapen (ook wel ravenbek genoemd) ging net zo makkelijk door het staal van een harnas heen als een warm mes door boter...
 
Lange afstandwapens
Het verwonderlijke is dat in de middeleeuwen, het zwaard niet het meest in gebruik genomen wapen was op het slagveld, maar evengoed wel het meest beroemde, gehuldigde en meest gezegevierde wapen.
De meest voorkomende steek- en slagwapens op het slagveld waren de speer en hellebaard. Deze waren goedkoper om te produceren en waren op zowel korte als lange afstand dodelijk.
De longbow en de kruisboog waren de 'vuurwapens' van deze periode en uitermate efficiënt op grote afstanden.
Een zware kruisboog deed meer schade dan een .45 ACP (11mm) kogel vandaag. Deze pijlen gingen moeiteloos door maliën en borstplaat en waren accuraat op 500 meter.
Met het uitvinden van het buskruit en het opkomen van vuurwapens in het midden van de 16e eeuw, begon het harnas langzaam overbodig te worden.
Met als gevolg dat het nut voor grote zwaarden nu ook ver te zoeken was.
En zo belandde het langzwaard in de renaissance…
 
De Renaissance
De oude schermkunsten werden in de renaissance evengoed nog beoefend. maar uit pure nostalgische overwegingen van de geinteresseerde krijgskunsten beoefenaar. Maar functionaliteit had het langzwaard niet meer en de oude kunst van het vechten werd al vrij nel beschouwd als barbaars en ouderwets. Het langzwaard werd tot aan 1600 nog vervaardigd, het enige grote verschil met het langzwaard van 100 jaar eerder waren de nu extra beugels aan de stootplaat, die extra bescherming boden aan de handen.
Zwaarden verdwenen echter niet zomaar van het toneel, maar moesten kleiner en lichter worden, zodat deze weer met één hand te gebruiken waren.
Vuurwapens konden nog niet zoveel in die tijd. Met één schot had je het doorgaans wel gehad.
En opnieuw laden in die tijd vergde veel tijd, iets waar je drastisch te kort aan had in een gevecht.
Dus alhoewel het zwaard een stapje terug moest doen, was het nog niet onmisbaar of weg te denken uit het strijdtoneel.
 

De overgang naar de renaissance
Op het gebied van zwaardvechttechnieken veranderde er ook het één en ander.
In de renaissance was het niet zo dat meesters in één keer allemaal nieuwe technieken met het éénhandige zwaard uitvonden, maar oude technieken werden aangepast voor het gebruik van nieuwer en lichter gereedschap.
Hierdoor kwamen helaas ook veel technieken te vervallen en gingen verloren, technieken die uitsluitend te praktiseren waren met het middeleeuwse langzwaard.
Zoals voorheen de zwaard/beukelaar technieken aangepast werden voor het langzwaard, zo werden de langzwaard technieken aangepast voor de rapier (brede degen)
Het langzwaard werd echter nog ruimschoot vervaardigd tot 1600, daarna trad er snel een terug loop op van dubbelhandige zwaarden.
De grootste verandering heeft het zwaard tussen 1600 en 1700 ondergaan.
Van het langzwaard tot de gekromde sabel zoals we die tegenwoordig nog kennen.
De sabel, was een zwaard dat door haar kromming zeer geschikt was voor de cavalerie. Te paard sneed een krom zwaard aanzienlijk efficiënter dan een recht zwaard en was hierdoor beter te hanteren. Leuk detail van deze uiterst moderne zwaarden was dat ze qua vorm eigenlijk praktisch gelijk waren aan de laat middeleeuwse 'Messer', een gekromd éénhandig en éénsnijdig zwaard.
Ook had men hier een tweehandige variant van, het grosses messer (plaatje rechtsonder), typisch is de overéénkomst met de Japanse katana.
HEMA
Academie voor Middeleeuwse Europese Krijgskunsten